Hoe de centrale banken ons tijdperk van eindeloze oorlog financieren

Introductie: dit artikel is een vertaling van een zeer informatieve voordracht die geleverd werd in de Mises Circle in New York op 14 september 2012. De voordracht werd gehouden door Llewellyn H. Rockwell Jr., de oprichter en voorzitter van de Mises instituut te Auburn in de V.S. Hij verklaard op basis van het werk van de Oostenrijkse school van economische denken waarom de afgelopen eeuw van totale oorlogsvoering (WWI, WWII, Vietnamoorlog, War on Terror enz.) samenviel met de eeuw van centraal bankieren. Centraal bankieren maakte de totaal verwoestende oorlogsvoering ten tijde onder meer de laatste wereldoorlogen mogelijk. Het pleit ervoor dat geldsysteem moet worden hervormd waarbij de introductie van een scheiding van staat en geld moet worden geïmplementeerd.

How Central Banks Fund Our Age of Endless War

De 20e eeuw was de eeuw van de totale oorlog. Beperkingen op de omvang van oorlog, die in de loop van vele eeuwen werden opgebouwd, begonnen al in de 19e eeuw af te brokkelen In de 20e eeuw werden ze echter volledig weggevaagd. En natuurlijk maakte de reusachtige hoeveelheid middelen die gecentraliseerde staten konden inzetten in de oorlog, en de verschrikkelijke nieuwe moordwapens die ze tot hun beschikking hadden, de 20e eeuw een eeuw van bijna onvoorstelbare verschrikkingen.

De ontwikkeling van totale oorlog wordt niet heel vaak in verband gebracht met de ontwikkeling van het moderne centrale bankwezen, dat – hoewel voorgangers reeds lange tijd bestonden – zelf ook tot stand kwam in de 20e eeuw. Het is geen verrassing dat Ron Paul, de man die in het openbare leven als geen ander de grenzen van wat gezegd mag worden in de beschaafde maatschappij over deze dingen te overschrijden, zo bleef volhouden dat de fenomenen oorlog en centraal bankieren verbonden zijn. “Het is geen toeval”, zei Dr. Paul, “dat de eeuw van totale oorlog samenviel met de eeuw van centraal bankieren”.

Hij voegde daaraan toe:

“Als iedere Amerikaanse belastingbetaler een extra €5.000-€10.000 aan de Amerikaanse belastingdienst moest betalen om voor de oorlog te betalen, dan zou het snel afgelopen zijn. Het probleem is dat de overheid de oorlog financiert door geld te lenen en te drukken, in plaats van de rekening direct te presenteren in de vorm van hogere belasting. Wanneer de kosten verscholen zitten, wordt het moeilijker om je af te vragen of een oorlog het geld waard is”.

murray rothbard

Om mijn stellingen vandaag te onderbouwen, zie ik het als een gegeven dat Murray Rothbards analyse van de echte functies van het centrale bankwezen correct is. Rothbards boeken The History of Money and Banking: The Colonial Era Through World War II, The Case Against the Fed, The Mystery of Banking en What Has Government Done to Our Money? bieden de logische onderbouwing en het empirisch bewijs voor dit standpunt, en ik verwijs jullie naar die bronnen voor meer details.

De 3 voornaamste functies van centrale banken:

fed rentebesluit repomarkt

Voor nu beschouw ik het als onomstreden dat centrale banken drie belangrijke functies uitvoeren voor het banksysteem en de overheid. Ten eerste dienen ze als kredietverstrekkers in laatste instantie, wat in de praktijk betekent dat ze reddingsoperaties verrichten voor grote financiële bedrijven. Ten tweede coördineren ze de inflatie van de geldvoorraad door een uniform inflatiepercentage vast te stellen voor de banken, wat het fractioneel banksysteem minder instabiel en consistenter winstgevend maakt dan het zou zijn zonder centrale bank (wat overigens de reden is dat de banken zelf altijd zeuren dat er een centrale bank moet zijn). Tot slot stellen ze overheden door middel van inflatie in staat om hun handelingen een stuk goedkoper en slinkser uit te voeren dan ze anders zouden kunnen.

De Federal Reserve, de centrale bank van de Verenigde Staten, maakt inflatie mogelijk en maakt daardoor ook oorlog mogelijk. Terugkijkend op de Eerste Wereldoorlog schreef Ludwig von Mises in 1919:

“je kan zonder te overdrijven zeggen dat inflatie een onmisbaar middel is van militarisme. Zonder inflatie zou de impact van oorlog op welzijn veel sneller en doordringender duidelijk worden. De samenleving zou de oorlog al veel sneller zat zijn.”

Geen overheid heeft ooit gezegd: “omdat we oorlog willen voeren moeten we het centrale bankwezen laten vallen” of “omdat we oorlog willen voeren moeten we inflatie en het fiatgeldsysteem laten vallen”. Overheden zeggen altijd: “we moeten de goudstandaard laten vallen omdat we oorlog willen voeren”. Dat alleen al is een teken van hoezeer overheden worden beperkt door hard geld. Edelmetalen kunnen niet uit ijle lucht worden gemaakt, en daarom hebben overheden een hekel aan het monetaire systeem dat op edelmetalen gebaseerd is.

Overheden kunnen op drie manieren hun inkomsten vergroten. Belasting is de meest zichtbare manier om dit te doen en zorgt uiteindelijk voor weerstand van het volk. Ze kunnen het geld lenen dat ze nodig hebben, maar dit lenen is eveneens zichtbaar voor de samenleving in de vorm van hogere rentes – naarmate de federale overheid concurreert voor een beperkte hoeveelheid krediet, wordt krediet schaarser voor andere kredietnemers.

Geld creëren uit ijle lucht, de derde optie, geniet de voorkeur onder overheden, aangezien het proces waarbij de politieke klasse door middel van inflatie geldmiddelen uit de samenleving haalt veel minder direct en duidelijk is dan belasting of lenen. Vroeger schaafden de koningen kleine stukjes van de munten af, hielden ze het afgeschaafde materiaal, en brachten ze de munten vervolgens terug in omloop met dezelfde nominale waarde. Zodra ze dit trucje onder de knie hadden, bewaakten overheden dit geheim op jaloerse wijze. Mises zei ooit dat als Koning Karel I van Engeland tijdens de Engelse Burgeroorlog in de jaren 1640 de Bank of England tot zijn beschikking had, dat hij de parlementaire strijdmachten die tegen hem vochten zou hebben verslagen, en de Engelse geschiedenis zou er heel anders uit hebben gezien.

Juan de Mariana, een Spaanse jezuïet die schreef in de 16e en vroege 17e eeuw, staat het meest bekend om zijn politieke filosofie waarin hij koningsmoord verdedigde, in zijn werk uit 1599: De Rege. De meeste historici gaan ervan uit dat de Spaanse overheid hem vanwege deze provocatieve uitspraak een tijdlang gevangen zette. Het was echter zijn Treatise on the Alteration of Money, waarin hij monetaire inflatie veroordeelde als een moreel kwaad, waardoor hij in de problemen kwam. Denk daar eens over na. Zeggen dat de koning gedood mocht worden was één ding, maar inflatie, het levensbloed van het regime, bekritiseren? Nee, dat ging toch echt te ver.

Als een oorlog in die tijd gedeeltelijk werd gefinancierd door middel van monetaire ontzuivering, was het proces direct en niet moeilijk te begrijpen. De reeks gebeurtenissen is tegenwoordig ingewikkelder maar, zoals ik al zei, niet fundamenteel anders. Wat tegenwoordig gebeurt is niet dat de overheid voor een oorlog moet betalen, te weinig op kan hoesten en simpelweg het geld bijdrukt om dat verschil te bekostigen. Het proces is niet zo primitief. Maar als we het zorgvuldig bekijken, blijkt het in wezen op hetzelfde neer te komen.

Centrale banken, gesticht door de overheden van de wereld, stellen die overheden in staat om meer af te drukken dan ze ontvangen in belastingen. Door te lenen konden ze meer uitgeven dan ze ontvingen in belastingen, maar het lenen door overheden leidde tot hogere rentevoeten, wat vervolgens het volk op ongewenste manieren kan opruien. Wanneer centrale banken geld bijdrukken en het in omloop brengen in het banksysteem, helpen ze de overheid door die rentevoeten weer omlaag te duwen, waardoor ze de impact van het lenen door overheden verbergen.

Maar centraal bankieren doet meer dan dat. Het drukt in feite het geld uit en geeft het aan de overheid, hoewel ze het niet zo direct en overduidelijk doen.

Ten eerste kan de federale overheid zijn obligaties tegen kunstmatig hoge prijzen (en tegelijkertijd lage rentevoeten) verkopen, omdat de opkopers van zijn schuld weten dat ze vervolgens aan de Federal Reserve kunnen verkopen. Hoewel het klopt dat de federale overheid rente moet betalen over de effecten die de Federal Reserve bezit, kan de Federal Reserve aan het eind van het jaar dat geld terugbetalen aan de Schatkist, min verwaarloosbare bedrijfskosten. Dat lost de rente wel op. En als je denkt dat de federale overheid in ieder geval de hoofdsom nog moet betalen, dan heb je het mis. De overheid kan zijn bestaande schuld verschuiven wanneer de schuld komt te vervallen, door simpelweg een nieuwe obligatie uit te geven om de hoofdsom van de oude obligatie af te betalen.

Door dit ingewikkelde proces – een proces dat het grote publiek waarschijnlijk niet kent of begrijp, en dat is geen toeval – kan de federale overheid in feite geld bijdrukken en het uitgeven. Terwijl alle anderen middelen moeten verzamelen door geld uit te geven dat ze hebben verdiend door productief te zijn – met andere woorden: ze moeten eerst iets produceren voor de maatschappij voordat ze mogen consumeren – kan de overheid middelen verzamelen zonder iets te hoeven produceren. Geldproductie door overheidsmonopolie wordt dus nóg een mechanisme waardoor de uitbuitende relatie tussen de overheid en het volk in stand wordt gehouden.

Omdat de centrale bank het mogelijk maakt voor de overheid om kosten te verbergen voor alles dat het doet, moedigt dit overheden aan om extra uit te geven op allerlei gebieden, niet alleen aan oorlog. Maar omdat oorlog ontzettend duur is en omdat de offers die ermee gepaard zijn het volk zo ontzettend belasten, zijn het met name oorlogsuitgaven waarbij iedere overheid de hulp van een centrale bank met name verwelkomt.

Het Federal Reserve System, dat werd opgericht eind 1913 en dat zijn deuren het jaar daarop opende, werd voor het eerst getest tijdens de Eerste Wereldoorlog. In tegenstelling tot sommige andere landen, bleef de Verenigde Staten vasthouden aan de goudstandaard. Het land had echter niet een 100% pure goudstandaard. De Federal Reserve kon echter wel doen aan kredietexpansie, en deed dat ook. Op Mises.org hebben we een artikel gepubliceerd van John Paul Koning dat de lezer meeneemt door het exacte proces waarmee de Federal Reserve zijn monetaire inflatie in die vroege jaren uitvoerde. In feite drukte de Federal Reserve geld bij en gebruikte dit om oorlogsobligaties aan zijn balans toe te voegen. Benjamin Anderson, een econoom van de Oostenrijkse school, constateerde toentertijd: “de groei van vrijwel alle posten op de balans van het Federal Reserve System sinds de Verenigde Staten bij de oorlog betrokken raakte is bijzonder groot”.

De ondersteunende rol van de Federal Reserve was niet alleen beperkt tot de oorlogstijd. In America’s Money Machine schreef Elgin Groseclose:

“alhoewel de oorlog in 1918 in militaire zin voorbij was, was het nog niet voorbij in financiële zin. De Schatkist had nog steeds enorme verplichtingen om aan te voldoen, die uiteindelijk gedekt werden door een Victory Loan (“Overwinningslening”). De voornaamste ondersteuning vanuit de markt kwam opnieuw van de Federal Reserve.

Monetaire inflatie was met name behulpzaam voor de Amerikaanse overheid tijdens de Vietnamoorlog. Lyndon B. Johnson kon tegelijkertijd zijn Great Society-programma’s en zijn oorlog overzee uitvoeren, en de lasten voor de belastingbetaler werden – in het begin tenminste – beperkt gehouden.

Tegen 1970 waren de Keynesiaanse economische planners zó zelfverzekerd geworden, dat Arthur Okun, één van de voornaamste presidentiële economisch adviseurs van dat decennium, later schreef dat het wijze economische bestuur afgestapt leek van de conjunctuur. Maar men kon de realiteit niet voor eeuwig ontlopen, en de schijnbaar sterke oorlogseconomie van de jaren ’60 leidde tot de stagnatie in de jaren ’70.

Er is een universele wet dat iedere keer dat aan de maatschappij wordt beloofd dat de “boom-bust“-cycli verleden tijd zijn, er weer een bust op de loer ligt. Een maand nadat Okuns optimistische boek uitkwam, begon de recessie.

Amerikanen betaalden een hoge prijs voor de inflatie van de jaren ’60. Het aantal levens dat de oorlog had gekost was de gruwelijkste prijs die betaald moest worden, maar de economische verwoesting kan niet genegeerd worden. Zoals velen van ons zich kunnen herinneren, was de Amerikaanse economie jarenlang onderhevig aan werkloosheid en hoge inflatie. De beurs deed het nog slechter. Zoals Mark Thornton aangeeft:

“in mei 1970 was een portfolio dat bestond uit één aandeel van iedere stock dat op de Big Board stond ongeveer de helft waard van wat het waard zou zijn in 1969. De topscoorders die de markt in 1967 en 1968 hadden geleid – conglomeraten, computerverhuurbedrijven, vooruitstrevende elektronicabedrijven, franchisegevers — vielen hard van hun voetstuk. En ze daalden ook niet slechts 25% zoals de Dow, nee, ze maakten een val van 80, 90 of zelfs 95 procent.”

“… De Dow-index laat zien dat aandelen werden verhandeld in een breed kanaal tussen 1965 en 1984. Als je echter de waarde van de aandelen herberekent naar prijsinflatie, zoals gemeten door de consumentenprijsindex, komt er een duidelijker en verontrustender beeld naar voren. De naar inflatie herziene meting van de Dow, of de meting van de reële koopkracht van de Dow, liet zien dat het bijna 80% van zijn piekwaarde verloren had.”

En hoe vaak er ook wordt gezegd dat de Federal Reserve onafhankelijk is; het is ondenkbaar dat de Federal Reserve op de knip zit als de overheid om een stimulans vraagt, of wanneer er oorlog wordt gevoerd. De Federal Reserve is bijzonder behulpzaam geweest bij de zogenaamde War on Terror. Ga eens na hoeveel schuld de Federal Reserve ieder jaar opkoopt en vergelijk het met de oorlogsuitgaven van dat jaar, en je krijgt een idee hoezeer de Federal Reserve oorlog mogelijk maakt.

Het is wel zo dat een goudstandaard overheden beperkt, maar het is tegelijkertijd erg makkelijk voor overheden om rechtvaardigingen te vinden – waarvan oorlog de voornaamste is – om de goudstandaard te laten vallen. Om die reden zorgt de goudstandaard op zichzelf niet voor voldoende beperking op de ambities van de overheid, in het binnen- en buitenland.

Als we kijken naar de toekomst, moeten we moedig zijn in onze voorstellen voor monetaire hervormingen. We zoeken niet naar een goudwisselstandaard, zoals die bestond onder het Bretton-Woods-systeem. We willen niet de prijs van goud gebruiken als kalibreringshulpmiddel om de monetaire overheid te helpen bij zijn beslissingen over hoeveel geld er gedrukt moet worden. We hoeven niet eens de klassieke goudstandaard weer in te voeren, ook al heeft die een boel voordelen.

Scheiding van geld en staat

In de jaren 1830 bedachten de Jacksoniaanse voorvechters van hard-geld het geweldig credo “scheiding van bank en staat”. Dat zou een mooi begin zijn.

Wat we tegenwoordig nodig hebben is de scheiding van geld en staat.

Er zijn een aantal manieren waarop geld een uniek middel is. Ten eerste wordt geld niet gewaardeerd om zijn eigen waarde, maar omdat het gebruikt kan worden voor uitwisseling. Ten tweede wordt geld niet geconsumeerd, maar wordt het overhandigd door de ene persoon aan de ander. En alle andere goederen in de economie zijn geprijsd op basis van dit middel.

Maar er is niets aan geld – of wat dan ook – waardoor we ervan uit moeten gaan dat de productie ervan moet worden uitgevoerd door de overheid of door de instantie die van de overheid een monopolie erop heeft gekregen. Geld vormt de helft van iedere markttransactie die niet uit ruilhandel bestaat. Mensen die geloven in de markteconomie en die toch bereid zijn om het rentmeesterschap over dit cruciaalste bezit aan de staat over te geven, moeten zichzelf nog eens achter de oren krabben.

Interventionisten beweren soms dat een bepaald goed gewoon te belangrijk is om aan de markt over te laten. Het standaard vrijemarktantwoord draait dit argument juist om: hoe belangrijker een grondstof is, hoe belangrijker het is dat de overheid het niet produceert en dat de productie ervan in plaats daarvan overgelaten wordt aan de markt.

Dit principe geldt nog het allermeest voor geld. Zoals Ludwig von Mises ooit zei: “de geschiedenis van geld is de geschiedenis van hoe overheden geld proberen te verwoesten. Overheidscontrole over geld heeft gezorgd voor monetaire waardevermindering, de verarming van de samenleving ten opzichte van de staat, rampzalige conjunctuurcycli, financiële bubbels, kapitaalconsumptie (dankzij vervalste winst-en-verliesboekhouding), moreel risico, en — het meest relevant voor mijn onderwerp vandaag — onteigening van het volk op manieren die ze waarschijnlijk niet begrijpen. Deze stilzwijgende onteigening heeft een aantal van de grootste inspanningen van de staat mogelijk gemaakt, zoals bijvoorbeeld zijn oorlogen. Al deze vergrijpen bij elkaar bieden een overtuigend argument tegen het huidige systeem en voor een vervanger vanuit de markt.

Kortom: de oorlogsmachine en de geldmachine zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is zinloos om de morele wandaden van het Amerikaanse rijk af te keuren zonder tegelijkertijd de ondersteuning te bekritiseren die het allemaal mogelijk maakt. Als we de staat en al zijn uitingen – zijn imperialistische avonturen, zijn binnenlandse subsidies, zijn onophoudelijke uitgaves en opbouw van staatsschuld – het hoofd willen bieden, moeten we de vinger wijzen naar hun bron: de centrale bank, het mechanisme dat de staat en zijn huismedia en -economen zullen verdedigen tot hun laatste dagen.

De staat heeft het volk ervan overtuigd dat zijn eigen belangen hetzelfde zijn als die van hen. Het lijkt voor hun welzijn te knokken. Zijn oorlogen zijn hun oorlogen. Het is de grote weldoener, en de mensen zijn tevreden met hun rol als tevreden onderdanen.

Wij denken er anders over. De relatie tussen de staat en het volk is niet goedaardig, het is niet een van de gulle gever en dankbare ontvanger. Het is een uitbuitende relatie, waarbij een verzameling zichzelf in stand houdende heersers die niets produceren profiteren van de zwoegende meerderheid. De oorlogen van de overheid beschermen de samenleving niet; ze trekken hem leeg. Zijn subsidies stimuleren niet het zogenaamde openbaar belang; ze ondermijnen deze juist. Waarom zouden we verwachten dat de overheidsproductie van geld een uitzondering is op dit algemene patroon?

Zoals F.A. Hayek zei is het niet redelijk om te denken dat de staat er enig belang heeft om ons “goed geld” te geven. Wat de staat wil is geld produceren of een bevoorrechte positie hebben met betrekking tot de bron van het geld, zodat het zijn voorgetrokken groepen rijk kan houden. We moeten het niet graag willen ondersteunen.

De staat maakt geen compromissen, dus moeten wij dat ook niet doen. In de worsteling tussen vrijheid en macht, zullen weinigen iets inbrengen tegen de staat en de conventionele wijsheid die het ons oplegt. Nog minder mensen zullen de staat en zijn inspanningen afwijzen. Wij moeten die weinige zijn, naarmate we werken naar een toekomst waarin we juist met velen zijn.

Dit is onze missie vandaag, net zoals het de afgelopen 30 jaar al de missie van de Mises Institute is geweest. Met uw steun zullen we op dit kritieke punt door blijven gaan met onze boeken en tijdschriften uitgeven, onderzoek en les in Oostenrijkse economie ondersteunen en de toekomstige voorvechters van de vrije economie trainen.

Gerelateerde artikels: